Fragment uit 'Over vloedgolven, ballingen en nachtuilen':

BRAND


Het regende, het was zondag en ik wilde dat mijn spijkerbroek droog zou zijn voor school. Cristina had haar lievelingsrok nodig, de rode. We moesten naar opa en oma dus mama zette de kachel op de laagste stand en we gingen.
Toen we terugkwamen was mama een beetje dronken, ze is nooit dronken maar die dag was ze het net wel. We deden de benedendeur open en we gingen de trap op en toen we bij onze deur waren zagen we dat die helemaal kapot was en ook open.
‘Er is ingebroken,’ zei mama en ze kreeg de hik. We gingen naar binnen, zonder de deur open te doen want dat hoefde niet meer. Niemand had iets van ons gestolen maar er was wel brandlucht.
De bovenbuurman kwam en zei tegen mama dat hij rook onder de deur door had zien komen en dat hij zich een weg naar binnen had getrapt en dat hij ook het vuur bij de kachel had geblust.
Mama zei ‘mijn god’ en ‘hartstikke bedankt, enorm bedankt en tot ziens’ en toen de buurman weg was zei ze dingen als: wat een hoerenzooi, wat een teringbende en toen ging ze naar bed zonder de kachel uit te doen, dus dat deed ik.