WOONSTERS EN WERKSTERS


Of ik een stukje wil schrijven voor een blad vragen ze bij de uitgeverij.
Wat voor een blad?
Een woonblad.

Meubels, denk ik en ik begin meteen te schaven aan een griezelverhaal met een bank dat ik laatst begonnen was.

Een tweede e-mail van de uitgeverij: ik moet wonen in Uruguay vergelijken met wonen in Nederland.

‘Met meubels en zo?’ vraag ik in de hoop de divanthriller te redden. Een opdrachtbevestiging van het woonblad zelf volgt en er staat toch echt dat ik wonen in mijn geboorteland moet vergelijken met wonen in Nederland.

In het Spaans hebben we geen apart werkwoord voor wonen. In het Spaans is vivir (leven) zowel wonen als leven. Er wordt geleefd in een mooi huis of in een goedkoop hotelletje en er wordt geleefd tot de dood erop volgt.

Als een Nederlander zegt dat u mooi woont, wil dat niet zeggen dat hij vind dat u een mooi leven heeft. Mooi wonen en mooi leven hoeft niet bij elkaar te horen.

In het Spaans ligt het aan de context en uw interpretatie of u het mooie op uw leven of uw behuizing betrekt. Er wordt hetzelfde gezegd.

Wonen kan in Nederland een doel op zich zijn, en niet alleen taalkundig. Je hebt woonwarenhuizen, woonmagazines en lifestyle beurzen. In Uruguay is de markt te klein voor woonwarenhuizen.

Wonen kan in Nederland ook een aandoening worden. U kent ze wel, van die mensen die als knaagdieren in een rad achter de nieuwe modekleuren aan rennen, die steeds weer iets nieuws moeten neerzetten daar waar het oude nog in prima staat verkeert en die vaak net dat ene willen dat op de grens van hun budget balanceert. mensen voor wie een dagje woonwarenhuis een hoogtepunt in het leven is.

Meestal zijn het vrouwen die aan die manier van wonen lijden. Het lijkt alsof ze een leegte proberen op te vullen met vazen, staande of hangende lampen, grand foulards en handdoeken die met de wc-borstel matchen.

Soms vullen ze de leegte met een man. Die zet dan de lavendelgeurige kaars onder de schemerlamp en brandt daar een gat in.

Om het goed te maken neemt hij haar het volgende weekend mee naar Ikea. Ze krijgt een nieuwe lamp met bijbehorende fotolijst en geurkaarsen. Zij lijkt gelukkig maar er wringt iets in de onderlaag. De grand foulard is er nu ook in lila.

Een paar vrouwen waar ik veel om geef zijn zulke woonsters in het rad (eigenlijk moet ik uitkijken met wat ik zeg want straks zit ik met kerst, in plaats van lekker warm in een mooie sfeervolle woning, in mijn eigen rotkrot te verkommeren).

Opnieuw:

Woonsters nemen hun wonen serieus. Het zijn trouwens harde werksters ook. De halve economie draait op hun dubbele diensten: produceren tijdens de werkuren, consumeren in de vrije tijd.

Ze zouden dubbel op vakantie moeten mogen, van het werken en het wonen. Maar dan wel naar een plek waar geen woonwarenhuizen zijn, en al helemaal geen ondernemers met een omzet die het toestaat alle brievenbussen in de woonwijk vol te stoppen met propaganda voor hun plannen met hun geld.

Dit Uruguayaans vissersdorpje zou kunnen volstaan. Als u hier meubels wilt kopen kunt u hoogstens een bod op de bank van de buren doen. Voor bedden kunt u misschien in het hotel terecht. Er is er maar een dus u kunt het niet missen, een groen wanstaltig bouwsel aan het strand.

Als u op de veranda iemand achter een laptop ziet zitten, ben ik dat. Ik schrijf een stukje voor uw woonmagazine, in een prachtige lila hangmat die straks thuis vast fantastisch in de leegte zou hangen, ware het niet dat ik hem waarschijnlijk aan u geef als ik me reismoe aan uw kersttafel probeer te slijmen.

CTP, 2003



.




Comments