bijten in de hand die je voedt

Als u niet tegen de opmaak van de website kunt, is hier de pdf te lezen.

tek bijten in de handm.png
 

 

pingpong

Als ik de Guillotine geloof, begint het bijten van Luis Suárez even na 1500. Ik heb mijn geschiedenisleraar al sinds de middelbare school niet meer gezien, maar nog steeds is het zo dat hij om de hoek verschijnt elke keer als ik iets over Uruguay schrijf. Mijn moeder zegt dat dat een symptoom is van posttraumatische stress.

‘Die steenanarchist denkt dat je alleen door trauma echt leert,’ zei ze. Ze kende hem van vroeger, van de militancia. Zo noemen ze dat in Uruguay. Militeren zou je daar in het Nederlands van moeten maken maar dat woord is het Nederlands arm, dus moet je uitwijken naar iets als ‘het activisme’ of ‘het politiek actief zijn’. Het was in ieder geval van het militeren dat mijn moeder wist dat de Guillotine een anarchist was.

Bij elke les van hem kregen we een stapeltje A4-tjes mee naar huis die we voor de volgende keer moesten hebben gelezen. Het waren stencils van hoofdstukken uit boeken die hij belangrijk vond, niet de opgewarmde kots die in de schoolboeken stond, dat waren zijn woorden: vómito calentado. Die stencils van hem waren altijd op pluizig papier gedrukt met gebruik van zo min mogelijk inkt en zo veel mogelijk moeilijke woorden. Hij verwachtte niet alleen dat je alles wat erop stond leerde, je moest ook alles wat op de voorgaande stencils had gestaan nog weten. Als hij bloed rook kon hij je in september nog naar iets vragen over de Azteken uit het eerste semester. Wij moesten Hobsbawn lezen op een leeftijd dat je hersenen een hormonenstoofpot zijn, bij dertig graden Celsius, aan de kust en dan zo dat je wat je gelezen had begreep en onthield. Als hij doorkreeg dat je de stof die hij meegaf niet gelezen had, kon hij genadeloos zijn. Tijdens de les was er altijd minstens één leerling de klos, maar het gemiddelde lag eerder rond de drie of vier gevallenen. Met zijn gitzwarte humor en zijn pijlsnelle intellect kon de Guillotine minutenlang ten overstaan van de hele klas paté van je maken. Zo zeggen ze dat in Uruguay. In Nederland kiezen ze daarvoor gehakt, maar dat wordt daar door leraren zelden van leerlingen gemaakt.

Tot ik bij de Guillotine in de klas kwam had ik in de Nederlandse provincie bij juf Meya en meester Doeke gezeten. Die gaven je al een voldoende voor het maken van een werkstuk ongeacht de kwaliteit ervan en als je er plaatjes in had gedaan kon je op een iets hogere beoordeling rekenen. Leraren in Nederland waren aardiger dan je eigen moeder en de lessen waren een feestje, helemaal naast de aframmelingen die de Guillotine les noemde. Hij hield een keer in de maand een ‘pingpong’. Dat betekende dat hij namen van de lijst oplas, soms in alfabetische volgorde, soms in willekeurige. Als je aan de beurt was, kreeg je een vraag gepresenteerd. ‘Waarom werden de indianenstammen in onze regio uitgemoord?’

Ik wist uit ervaring dat je niet moest gaan verzinnen als je het antwoord niet wist, want aan gezever had de Guillotine een bloedhekel. Dan kon je elke daaropvolgende pingpong weer spelen. Als je het antwoord op een vraag niet wist, was het het beste om dat gewoon te zeggen. Je kreeg hoe dan ook een herkansing met vraag twee. Als je daar ook geen antwoord op wist kon je naar een voldoende fluiten, maar je kreeg nog wel een derde vraag waarmee je de schade kon beperken. Wist je het antwoord weer niet, dan kreeg je een dikke één waarmee je gemiddelde voor het kwartaal kelderde. Cijfers opkrikken kon bij de Guillotine alleen door een heel goed schriftelijk te maken of een wereldprestatie bij de pingpong neer te zetten. Andere smaken, zoals werkstukken knutselen en spreekbeurten houden, kende hij niet, maar dat wist ik niet toen ik, koud terug uit Nederland, voorstelde mijn aan de grond gelopen cijfer op te krikken met een spreekbeurt.

‘Een qué?’ zei hij. Ik kende het woord niet in het Spaans dus had ik het letterlijk vertaald als ‘turno para hablar’.  Ik herhaalde mijn verzinsel. ‘Turno para hablar?’  Hij keek me aan met die veel te lichte ogen van hem en zei: ‘Spreek maar.’

‘Ik bedoelde niet nu,’ zei ik. Het ging allemaal te snel om te begrijpen waarom hij zulke rare vragen stelde.

‘Wanneer dan?’

Twee weken was wat je in Nederland ongeveer kreeg om je voor te bereiden dus stelde ik dat voor.

‘Volgende les,’ zei hij. Dan mocht ik praten.

Of ik vrij was in mijn onderwerpkeuze, vroeg ik.

‘Je praat over een onderwerp?’

Ik zal geknikt hebben, nog steeds niet begrijpend dat ik in een onderwijssysteem zat waar het houden van een spreekbeurt een volstrekt onbekend verschijnsel was.

Ik was vrij in mijn keuze, zei hij.

Een week later stond ik voor de klas te oreren over anarchie, waarbij ik foto’s ophield van Bakoenin en Durruti. Mijn klasgenoten wisten niet wat ze meemaakten. Toen ik hoorde dat een turno para hablar helemaal niet bestond, wilde ik dat niet geloven, maar toen ik in alle jaren dat ik daarna op de middelbare school in Uruguay zat nooit iemand een spreekbeurt zag houden, gaf ik mij gewonnen.  De Guillotine hield het niet alleen bij geestelijk mishandelen. Een keer ging een leerling dreigend voor hem staan. Het was een grote gast die al bij de politie werkte. Hij had een grote bek ook en noemde de Guillotine een communist. In Nederland zou dat geen zware belediging zijn, maar in een land dat tot twee jaar eerder communisten in de gevangenis gooide, zat in dat woord een halve bedreiging verscholen. Los daarvan had de Guillotine als anarchist een bloedhekel aan communisten.

Die aspirant-politieman had een voldoende nodig om door te mogen naar de politieacademie, en dat hij die voldoende niet kreeg leidde tot die situatie waarin hij dreigend voor de Guillotine ging staan. Die gaf hem een snoeiharde kopstoot en stuurde hem met een bloedneus het lokaal uit.

Bij de volgende pingpong had de aspirantpet zijn feiten op een rijtje en moest de Guillotine hem wel een voldoende geven. Je kon veel op de Guillotine aan te merken hebben, maar rechtvaardig was hij wel. (Mijn moeder heeft tot hier gelezen en ze zegt dat ik naast een ptss ook het stockholmsyndroom aan hem overgehouden heb, dat de Guillotine een bruut is en dat het een wonder is dat hij mag lesgeven en dat ik dat ook moet vermelden.)

Zoals Nederlandse kinderen op school leren over de veroveringen van de Nederlandse vloot, leerden wij in Uruguay over de kolonisatie van de Spaanse kroon: met ontzag en eerbied voor allerlei criminele activiteiten en mensonterende wandaden die onze voorouders hebben begaan – behalve dus als je bij de Guillotine in de klas zat.

Hij had het nooit over de ‘ontdekking’ van Amerika, en hij kon goed pissig worden als iemand dat per ongeluk wel deed. ‘Zuid-Amerika werd niet ontdekt,’ zei hij dan, ‘Zuid-Amerika was er al, alleen wisten ze dat in Europa niet. Wanneer werd Europa dan ontdekt?’

Zuid-Amerika werd gekoloniseerd, leerden wij.  De colonos van toen waren volgens de geschiedenisboeken godvrezende mannen, avonturiers en ontdekkingsreizigers met een brede horizon en dito handelsgeest.  ‘Allemaal suïcidale psychoten,’ zei de Guillotine, want als je in die tijd bereid was met dertig man in een houten tobbe naar de andere kant van de oceaan te varen, wist je niet of er, a), wel een andere kant was, en je, b), de reis zou overleven om die andere kant te halen en, c), of je, eenmaal daar, niet verslonden zou worden door onbekende wezens of vlammen of de Duivel.

Om mee te gaan moest je a) knettergek zijn, of, b), wanhopig, of beide. Het kon ook zijn dat je, c), een veroordeelde crimineel was die, voor de keuze gesteld levenslang te zitten of onthoofd of opgehangen te worden, koos voor aanmonsteren.

Als je de mensheid nu een soortgelijk avontuur zou voorstellen, bijvoorbeeld naar Mars reizen, zouden er onder Bekende Aardbewoners al genoeg bereid zijn zich in een aluminium tobbe te laten afschieten. Justin Bieber, Tom Cruise, Brangelina, Kanye West en Lady Gaga zouden vooraan staan. Minder bekend zijn de getatoeëerde, langharige Günther Golob uit de Oostenrijkse entertainmentindustrie, Dokter Leila die door haar eigen man kandidaat werd gesteld en nog een honderdtal gekken die hun sollicitaties voor de Mars One online hebben gezet. Het lijken inderdaad allemaal niet de meest stabiele personen.

In Uruguay wonen nu drie miljoen mensen. Die anderhalve man en een paardenkop zijn allemaal afstammelingen van die psychoten van weleer.

Op het gebied van remmingen en evenwicht is de genenpool waaruit de Uruguayaan kan putten op zijn minst beperkt te noemen. Dat geldt ook voor de drie Uruguayanen die u waarschijnlijk kent: de president, de spits en de schrijver.

de president

Op 1 maart 2015 zat het presidentschap van José ‘Pepe’ Mujica erop. Hij was die president die in een Kever uit 1987 rondreed waarvoor een of andere Saoedische sjeik een miljoen dollar bood. Pepe twijfelde. Van zijn salaris nam hij tien procent mee naar huis, de rest ging naar goede doelen, vooral naar een project waarmee huizen werden gebouwd voor dakloze Uruguayanen. Dat miljoen kon hij daar dan naartoe laten gaan.

Zelf woont hij in een driekamerwoninkje even buiten de stad, en daar bleef hij tijdens het bekleden van ’s lands hoogste ambt, want het presidentieel paleis zag hij niet zitten. Ze noemden hem de armste president van de wereld, maar ik vond hem de rijkste.

In de jaren zestig was Pepe Mujica een van de leiders van de Tupamaros, de Uruguayaanse stadsguerrilla die internationale faam wist te behalen met massale gevangenisuitbraken, overvallen, ontvoeringen, het gevangen nemen van corrupte politici, het vermoorden van een cia-agent die onze militairen martelmethodes kwam bijbrengen en Robin Hood-achtige acties waarbij ze vrachtwagens van de supermarkten kaapten en die onbeheerd bij de krottenwijken achterlieten.

In de jaren zeventig werd Pepe door de militairen gepakt. Hij overleefde zes kogelwonden. Daarna wist hij niet één, maar twee keer uit de gevangenis te ontsnappen. Hij bracht in totaal vijftien jaar in gevangenschap door, het grootste deel daarvan in eenzame opsluiting. Pas toen de dictatuur afgelopen was, werd hij vrijgelaten en vijfentwintig jaar daarna werd hij tot president verkozen.

Toen Luis Suárez na Chiellini te hebben gebeten naar huis werd gestuurd, was Pepe Mujica nog president. Hij ging naar het vliegveld om de speler te onthalen. Toen hij bij de aankomstsluis stond te wachten, sprak hij tot de toegestroomde pers: ‘Die gasten van de fifa zijn een stelletje oude hoerenzonen.’

Zijn accent komt onversneden uit de Uruguayaanse achterbuurten. Alsof Rutte nijdig op Schiphol zou staan en in het voor hem gebruikelijke plat Haags iets zou zeggen in de trant van: ‘Die van de fifa zijn gewoon een stelletje kankâhlijers.’

De journalist die de opname maakte vroeg met nog draaiende camera of hij dat wel zou publiceren. Pepe haalde zijn schouders op: ‘Publiceer maar, kan mij het schelen.’

Mujica, de achternaam van zijn vader, komt uit Baskenland. Giordano, de naam van zijn moeder, is waarschijnlijk van Italiaanse immigranten.

monoamine oxidase a

In de tijd dat de Guillotine ons over de colonos leerde, waren ze met de studies naar het menselijk genoom nog niet zo ver, maar nu hebben ze een gen ontdekt dat de aanleg voor agressief gedrag zou doorgeven: een variant van het Monoamine Oxidase A- gen.

Monoamine Oxidase A is een enzym dat ervoor zorgt dat adrenaline, dopamine, tyramine en nog wat van die -ines afgebroken worden als de opwinding voorbij is. Zou dat niet gebeuren, dan zouden we in een constante staat van alertheid blijven stuiteren.

In 1993 ontdekte professor Brunner uit Groningen een Nederlandse familie waarbij dit gen volledig afwezig was. Ongeremd gedrag was vooral onder de mannen aan de orde van de dag. Ze vervielen in pyromanie, geweld en seksueel ongeremde gedragingen. Als zij een familiefeestje hadden moest de politie paraat staan.

Zet zulke jongens maar op een voetbalveld. FC Monoamine Oxidase. Hun kansen zouden niet eens zo slecht zijn, want de overvloed aan dopamines zorgt er wel voor dat je heel snel de juiste beslissingen neemt in kritieke situaties.  Daarom kon Suárez in 2010 tegen Ghana tot die onwaarschijnlijke redding komen. Welke speler redt nu zijn elftal van de ondergang door de bal met zijn hand uit het goal te meppen? Een met weinig Monoamine Oxidase A in zijn lijf.

Als je te veel van die ines opbouwt, wordt het daarboven een flipperkast en kun je alleen nog op impulsen reageren. Nadenken zit er niet echt bij, anders zou Suárez zijn tanden niet in een medespeler zetten. Hij weet dat er honderd camera’s op hem gericht zijn. Je kunt niet volhouden dat die man op zo’n moment denkt, want dat doet hij duidelijk niet. De reden daarvoor is dat hij dan te veel dopamines opgebouwd heeft en niet over spul beschikt om het af te breken.

              Hij beet Ivanovic in de 73ste minuut, Bakkal in de 92ste en Chiellini in de 81ste: altijd als zijn lichaam meer dan een uur de tijd heeft gekregen om dopamines op te bouwen.  De tip voor de tegenstanders zou zijn: ga hem niet zieken aan het begin van de match, maar tegen het einde. Een tip voor zijn trainer: haal hem tijdig van het veld en vind een manier om Monoamine Oxidase A in die man te krijgen, hoewel je dan wel op de koop toe moet nemen dat een fenomenaal schot iets later komt dan verwacht.

 

procent rio de la plata

In veel delen van Zuid-Amerika raakten de genen van de psychoten, borderliners en andere zeehelden verdund toen ze zich – doorgaans niet op al te vrijwillige basis – met de lokale bevolking mengden. De Maya’s, Inca’s en Azteken moeten allemaal evenwichtige intellectuelen zijn geweest en in ieder geval een oase van Monoamine Oxidase A, want Bolivia, Colombia, Chili, Peru en Ecuador zijn allemaal landen die heel beschaafd voetballen.  Rond de Rio de la Plata werd de lokale bevolking goeddeels door Gesticht Europa uitgeroeid. Er waren geen goud- of zilvermijnen waar het Europeaanse gajes de lokale bevolking als slaaf kon laten werken. Er waren ook geen rietsuiker- of andere plantages. Ze lieten in dat gebied grote veestapels lopen. Om koeien te laten grazen heb je geen slaven nodig dus werden de autochtone half-hippies uitgemoord en bleven de antisociale trekjes van Gesticht Europa in onze regio mooi puur.

Het zijn dan ook de Argentijnen en Uruguayanen die te boek staan als schoppers en valsspelers, met de Brazilianen als goede derde. Terecht, ontdekte ik tijdens het zoeken naar harde bewijzen voor deze beledigingen.  De top drie van landen met de meeste rode kaarten op een wk is [op het moment dat ik dit schrijf]:

Brazilië op 1, met 11 van het veld gestuurde spelers.

Argentinië op 2 met 10.

Uruguay op 3 met 9.

De rode kaart die het snelst ooit werd gegeven was voor een Uruguayaan. (José Batista kreeg hem in 1986 binnen de eerste minuut tegen Schotland.) Het lukte de Argentijn Caniggia om een rode kaart te krijgen terwijl hij op de bank zat, en de grootmeester Neymar slaagde erin om een rode kaart te ritselen na het fluitsignaal.

              In de top vijf van landen die het vaakst het wk wonnen, komen deze drie landen net zo vaak voor. Brazilië op één met vijf wereldbekers en Argentinië en Uruguay op vier en vijf met ieder twee keer de wereldtitel.

(Daartussen staan Duitsland en Italië op twee en drie met ieder vier gewonnen wk’s. Ik weet niet wat voor genen die Italianen en Duitsers hebben dat ze zo hoog in de keten eindigen, maar het is bekend dat een hoop Italiaanse en Duitse genen wat later in de geschiedenis ook hun weg naar het zuiden van Zuid-Amerika vonden. Dat dat niet de braafste jongetjes van de klas waren behoeft hier geen uitleg, want dat heeft zowel in de Nederlandse als in de Uruguayaanse geschiedenisboeken gestaan.)

de spits

Luis Alberto Suárez Diaz komt uit de provincie Salto. Hij doorliep de jeugd bij de Club Nacional de Fútbol in Uruguay en debuteerde op zijn achttiende tegen Barranquilla, Colombia. In Nederland zeggen ze altijd dat hij door FC Groningen werd ontdekt. Dat klinkt voor een Uruguayaan zoals het voor een Nederlander zou zijn als een Brit komt zeggen dat Robben door Chelsea werd ontdekt. ‘Oh ja?’ zou zo’n Groninger knarsen. ‘Waarom dacht je dan dat wij hier die klojo een dure opleiding gaven?’ Suárez begon toen hij elf jaar was in het zevende van Nacional.

Als Nacional en Peñarol in de nationale competitie tegenover elkaar eindigen (en dat doen ze meestal) dan heet dat in Uruguay een clásico. Ik ben één keer in mijn leven naar zo’n klassieker geweest. Mijn vader nam ons mee in de tijd dat hij zijn best deed om mijn zus en mij met het authentieke Uruguay kennis te laten maken. Het was 1990 en de klassieker speelde zoals dat hoort in het Centenario-stadion in Montevideo. ‘Het enige stadion dat een nationaal monument is,’ zei mijn vader trots. Het was een mooie dag en het Centenario, met een capaciteit van 60.000 toeschouwers, was tjokvol. We kregen een potje voorgeschoteld waarin meer tegen elkaar dan tegen de bal werd geschopt en aan het einde gingen alle spelers met elkaar op de vuist. Echt waar. Het werd een potje knokken rond de middenstip met ’s lands topteams. Voetballers met opgetrokken vuisten die uithaalden als boksers, die elkaar stompten, schopten, vastgrepen en tegen de grond probeerden te krijgen. Die elkaar tegen de borst duwden en als haantjes uitdaagden.

Had je wat dan?

Wat had jij dan?              

Kom dan, eikel.

De stilte daalde over het stadion. We staarden naar het veld en geloofden onze honderdtwintigduizend ogen niet. Al die duwende en meppende kerels in korte broeken. Het was geen gezicht. En die scheidsrechter die zich de longen uit zijn lijf floot terwijl hij kaartjes tevoorschijn trok alsof hij maar een goochelact was begonnen.

Twintig voetballers werden die dag met ieder een rode kaart van het veld gestuurd. Zoek maar op. Centenario-stadion, 1990, clásico. Wij zaten op de tribune genaamd ‘Ámsterdam’, die zo heet omdat Uruguay in die stad in 1928 olympisch kampioen werd. Alle tribunes in het Centenario-stadion hebben namen van locaties waar de lichtblauwen als winnaars vandaan kwamen. Wij zaten in de Ámsterdam omdat wij in Nederland hadden mogen schuilen toen we Uruguay als verliezers moesten verlaten.

Vijftien jaar na dat beschamende potje vechtvoetbal speelde Luis Suárez bij deze jongens. Eigenlijk mag hij blij zijn dat hij nog tanden heeft om ergens in te zetten.

De achternaam Suárez komt uit Spanje. Het betekent ‘zoon van Suaro’ en het komt ongeveer net zo vaak in het Spaans voor als Jansen in het Nederlands. Diaz, de achternaam van zijn moeder, is ook zo’n veelvoorkomende achternaam. Zoon van Diego. Ook Spaans. De half-psychoten van wie hij afstamt werden dus goeddeels vanuit Spanje naar ons continent afgevuurd.

Ik google allerlei informatie over Luis Suárez en zo vind ik filmpjes waarin zijn oma over hem praat.

‘Nee, vroeger beet hij nooit,’ zegt ze. Ze heet Lila Píriz, net als mijn moeder, die heet María Píriz. De achternaam Píriz is niet zo heel gewoon en valt in de regio rond de Rio de la Plata kennelijk terug te voeren op dezelfde colonos. Een daarvan heeft een nationale heldenstatus omdat hij in oorlogen vocht. Achter-, achter-, achteropa Lucas Píriz is dat. Op 1 januari 1806 kreeg hij bij de belegering van de stad Tacuarembo een kogel in zijn borst. Hij stierf een dag later. In die tijd verwondden kogels je nog niet zo dat je er meteen dood aan ging maar aan de ontsteking ging je dat wel. Mijn opa van mijn moederskant heeft altijd een nakomeling Lucas willen noemen. Hij kreeg zijn zin niet, of je moet de cocker spaniël van oom Rafael meetellen, die dacht opa zo alsnog zijn zin te geven. Ook die Lucas Píriz stierf door een kogel, al was het voor hem een gestroomlijnde uit de jaren negentig, die meteen een eind maakte aan zijn leven. Hij kwam – we weten het zo goed als zeker – uit de loop van oom Rafaels militair geschoolde buurman. Die was het geblaf van Lucas zat.

 

mama bellen

Ik bel mijn moeder via Skype. Het duurt even voor we elkaar kunnen zien en horen. Mijn moeder zit achter haar laptop op de veranda. Naast haar staat een glas witte wijn. Het moet in Uruguay een uur of vier ’s middags zijn. In Nederland is het altijd tussen de vier en zes uur later, dat hangt van de tijd van het jaar af.

‘Ma? Hebben wij familie in Salto? Van opa’s kant?’  Ze neemt een slok wijn en haalt haar schouders op. Ze weet het niet.

‘Heb je je zus gesproken?’ vraag ze. ‘Ze was naar je op zoek.’

Mijn zus woont in de Nederlandse provincie. De afstand tot Amsterdam is een stuk kleiner dan die tot Montevideo, maar dat ze me via Uruguay moet zoeken is wel te verklaren, want ik probeer haar al dagen te mijden.

Mijn neefje, haar zoon, heeft weer problemen op school. We noemen hem Gremlin. Hij is negen jaar en is al van twee scholen getrapt. Zowel in de zuidelijkste provincie van Nederland als in de meest noordelijke. Ze zijn nu naar een andere provincie verhuisd, maar met de nieuwe juf gaat het een beetje stroef. Als hij van school wordt geschopt heeft mijn zus een oppas nodig en daarom nam ik niet op.

Mijn moeder ziet het via Skype met lede ogen aan.  Kennelijk heeft Gremlin de juf geschopt, haar legging was zelfs stuk.

Gremlin loopt vaak weg van school. Het probleem is dat het treinspoor dichtbij is en hij daar gewoon overheen gaat. In het beste geval klimt hij als hij boos is in de hoogste boom van het schoolplein en blijft daar zitten. Hij weigert naar beneden te komen, hoe vreselijk de ultimata die de toegestroomde volwassenen hem vanaf beneden stellen ook klinken. Uiteraard bijt hij, en hij bijt door.

Zowel zijn vader als zijn moeder is Uruguayaan. Afstammelingen van vooral Spanjaarden en een enkele Portugees. Mijn moeder kijkt naar haar scherm, maar ik weet niet of ze naar mijn beeld daarop kijkt of dat ze met iets anders bezig is.

‘De oma van Luis Suárez heet Píriz,’ zeg ik, ‘en ik las dat alle Pírizen in Zuid-Amerika afstammelingen zijn van dezelfde immigranten, dus ik vraag me af of we verre familie van elkaar zijn. Luis Suárez en wij.’

Mijn moeder kijkt me over haar bril heen aan. ‘Zit je weer voor dat voetbalblad te schrijven?’

Haar beeld in mijn laptopscherm flikkert en loopt vast.

‘Ben je er nog?’ vraag ik.

‘Ja.’ Ze kan me horen, alleen het beeld is vastgelopen. Het geluid werkt nog. Ik kan op de achtergrond het verkeer van Montevideo horen. Opgefokt getoeter. Mijn moeder zwijgt.

‘Ma?’

Haar beeld komt weer op gang, samen met een preek over de literatuur en dat ik die serieus moet nemen en niet voor voetbalblaadjes moet schrijven, en voor ik het weet komt mijn dode oma ook voorbijzeilen, die zich in haar graf omdraait en waar ik toch in hemelsnaam mee bezig ben. Of mijn nieuwe roman al een beetje vordert en waarom ik nog steeds niet naar het Spaans vertaald ben.  Ik lees mijn moeder voor wat ik tot nu toe geschreven heb over de president, de spits, de schrijver en de Uruguayaanse genen.

Terwijl ik voorlees kijkt zij naar haar scherm op een manier die verraadt dat ze echt met iets anders bezig is. Als het bij mij begint te dagen dat ze misschien contact probeert te maken met mijn zus, is de verbinding al tot stand gekomen en zegt mijn moeder tegen iemand anders: ‘Je zuster hier zegt dat alle Uruguayanen gewelddadig zijn.’  ‘Monoamine Oxidase,’ zeg ik snel, alsof het wat goed moet maken dat ik die woorden foutloos uitspreek.

‘Ik houd niet van veralgemeniseringen,’ zegt mijn moeder en ze schenkt bij.

Veralgemeniseren is een noodzakelijk gereedschap in de kist van elke schrijver. Je moet de hele bende bij tijd en wijle over één kam scheren om er iets zinnigs over te kunnen zeggen. Ik probeer haar dat uit te leggen. Overdrijven, aanstellen, buitenspel zetten, schwalbes en metaforen: het hoort er allemaal bij.

‘Uruguayanen zijn een vredelievend volk,’ zegt mijn moeder.

‘Niet,’ zeg ik en ook ik schenk bij.

‘Wacht,’ zegt mijn moeder. Ze wil mij en mijn zus samen in een venster krijgen zodat we met z’n drieën verder kunnen praten. Dat doen we vaker, maar nu zeg ik dat ik geen tijd heb. Ik zwaai, werp kusjes en klik ze weg.

de schrijver

Trujillo en Píriz zijn mijn achternamen. Spaanse en Portugese voorouders, maar ook MacColl (Schots) en Gougon (Frans): het Europese allegaartje van veel Zuid-Amerikanen.  Tot Luis Suárez naar Groningen kwam, was ik de beroemdste Uruguayaan in Nederland. Als er iets met Uruguay was, wisten de media mij meteen te vinden. Zo werd ik ooit door het anp gebeld om iets over Uruguayaans voetbal te vertellen, moest ik een keer live een voorspellend potje tafelvoetballen tegen een Nederlandse opponent en mag ik tijdens het wk bij allerlei radioprogramma’s aanschuiven.

Met de komst van neef Luis degradeerde ik naar de opeen-na-beroemdste Uruguayaan in Nederland, maar ik mag tijdens voetbal nog steeds overal aanschuiven want hij moet dan spelen.

Bij een zo’n potje radio vertelde een of andere presentator me doodleuk iets dat ik vaker gehoord had: dat de woorden en un momento dado door Johan Cruijff aan het Spaans gegeven waren. De eerste keer dat je dat hoort, sta je als Spaanstalige versteld. De uitdrukking ‘op een gegeven moment’ kent iedereen van kleins af aan. Hoezo zouden we dat van Cruijff geleerd hebben?

Ik had mijn antwoord al klaar, alleen was dit de eerste keer dat er een microfoon bij open stond.

‘Doe niet zo achterlijk,’ zei ik en hij: ‘Echt waar. Johan Cruijff in Barcelona.’ Ik moest naar de documentaire van Ramon Gieling kijken.

‘Luister,’ zei ik. ‘Denk jij nu echt dat wat in het Engels Any given moment is, en in het Zweeds Vid en given tidpunkt en in het Latijn At tempore et niet in het Spaans bestond? Denk je echt dat het Spaans die uitdrukking pas sinds de jaren tachtig kent? Omdat een Nederlander zo vriendelijk was dat concept naar Spanje te brengen? Een voetballer nota bene?’

Tijd voor muziek.

De presentator schoof de koptelefoon voor een deel van zijn hoofd.

‘En un momento dado,’ zei hij. ‘Zo heet de documentaire. Kijk er maar naar.’ Hij rommelde wat met zijn papiertjes. Of ik weleens documentaires keek. Documentaires waren leuk en leerzaam bovendien. Het rode licht ging weer aan en we probeerden een bevroren sfeertje weer warm te krijgen omwille van de luisteraars.

Bij de tweede muzikale onderbreking geen luchtig gebabbel meer, alleen de vraag of ik wat wilde drinken. Doet u mij maar Monoamine Oxidase A.

Ik schreef een boek over dalers. Dalers zijn mensen die gedoemd zijn om wat ze opbouwen de vernieling in te helpen: carrières, huwelijken, boten, goede banen. Wat je kunt benoemen, kun je kapotmaken. Dalers kunnen het niet echt helpen dat ze dit doen: zelfdestructie zit in hun natuur. Dat is het idee achter het boek.

Hoe Suárez zijn best ook doet, of dat nu voor zijn elftal, zijn lief of zijn kinderen is, hij krijgt het steeds voor elkaar om op een cruciaal moment zijn eigen succes te saboteren en er is helemaal niets dat hij daar tegen kan doen. Een prachtdaler, sponsored by Monoamine Oxidase A.

Tijdens het wk 2014 schoof ik aan bij Studio Brasil, precies bij die match waarop Suárez zijn tanden live in Chiellini zette. In de pauze zei een van presentatoren dat Luis Suárez door FC Groningen werd ontdekt.

‘Luis Suárez was er al,’ zei ik, ‘dat Nederland dat niet wist, wil niet zeggen dat hij toen werd ontdekt. Hij had zijn hele jeugd al bij Nacional gespeeld.’

Ik weet nog steeds niet waarom ik bij interviews aanschuif. Het enige wat kan gebeuren is dat ik na dertig minuten van mallotige vragen beantwoorden mijn impulsen niet meer onder controle heb.

Suárez had zichzelf uit het wk gebeten en ik moest in een studio vol lollige kerels antwoord geven op vragen als: ‘Is het in Uruguay normaal om elkaar te bijten?’  Een keer stortte een Uruguayaans rugbyteam in de Andes neer. Dat zijn de andere zestien Uruguayanen waar u waarschijnlijk weleens van gehoord heeft. Er is een film over ze gemaakt: Alive. Het bruggetje vanaf het bijten van Luis Suárez was een inkopper, want die rugbyers hebben hun dode landgenoten opgegeten, maar ik had geen zin meer in leuke anekdotes, dus ik zei niks.

mama bellen 2

De documentaire van Ramon Gieling is afgelopen. Er wordt niet in gezegd dat het Spaans de uitdrukking ‘en un momento dado’ aan Johan Cruijff te danken heeft. Wat er wel gebeurt is dat twee Catalaanse Johanfans op een gegeven moment aan de wijn zitten, en dan zegt de een tegen de ander dat de uitdrukking ‘en un momento dado’ in het Spaans niet echt gebruikelijk is. Dat is het. Niet meer. Als het geloof dat Cruijff de uitdrukking aan het Spaans gegeven zou hebben alleen op dat bewijs is gestoeld, heeft Nederland echt geen zaak.

Ik bel Luis Barros, een Uruguayaanse vriend die als muzikant vaak in Barcelona kwam. Ook hem zie ik via Skype.  ‘Weet jij hoe het zit met Johan Cruijff en en un momento dado?’

Hij slaat op tafel, waardoor hij scheef in beeld komt te staan. ‘Weer dat zeikverhaal?’ Hij gebaart woest: ‘Die Nederlanders denken dat hij met zijn Cruijffiaans ook wel even het Spaans kon verrijken. Daar is niks van waar. Cruijff kon het Spaans verrijken zoals Luis Suárez het Nederlands kan verrijken. Wie is er nu weer met die flauwekul gekomen?’

Luis – de muzikant, niet de voetballer – zat een keer met een paar vrienden, onder wie een Nederlandse maat, in een restaurant in Spanje. Ook die Nederlander zei dat Cruijff ‘en un momento dado’ aan het Spaans zou hebben gegeven. ‘Ik had hem al duizend keer uitgelegd,’ zegt Luis, ‘en un momento dado is zo oud als het Spaans zelf. Van mij wilde hij het niet aannemen, maar van Toti wel.’  Toti was Catalaan en Barça tot op het bot. Hij zat ook aan die tafel en heeft haarfijn uitgelegd waarom er gelachen werd als Cruijff en un momento dado zei, maar om dat verhaal te checken, moet ik naar Barcelona.

Voorlopig kan ik op internet genoeg Spaanse teksten vinden van voor Johan Cruijff waar de gestolen uitdrukking in staat. Als voorlopig bewijs voer ik aan: Rayuela, de roman van de Argentijn Julio Cortázar. Deze is naar het Nederlands vertaald als Rayuela, een hinkelspel. In hoofdstuk 68 staat het: en un momento dado. De roman werd in 1963 uitgebracht, tien jaar voordat Johan Cruijff naar Barcelona ging.

Het gesprek met Luis wordt onderbroken omdat mijn moeder een oproep doet. Het is in Uruguay een uur of twee ’s middags. Zij zit weer aan de witte wijn. Ze vraagt of ik mijn zus al gesproken heb. Gremlin mag nog anderhalf uur per dag naar school komen, daarna moet hij naar huis. Op woensdagen moet hij helemaal thuis blijven, want dan heeft de juf het al druk zat.

Mijn moeder geeft het Nederlandse onderwijssysteem de schuld van het falen van mijn neefje, want hoe kun je een jongetje van negen nu niet in het gareel krijgen? Best een lief jongetje bovendien.

‘De laatste keer dat je hier was sloeg hij je met een stoel,’ zeg ik.

‘Het was met de zachte kant en het was niet echt slaan, meer duwen.’

‘Hij heeft vast ook die luie variant van dat vechtgen,’ zeg ik. ‘Het is erfelijk via de moeder.’

‘Ben je nog steeds met dat neofascistische stuk bezig?’       

Ik vraag of ze iets meer weet over de familie Píriz.

Ze heeft een oudtante gesproken die Píriz MacColl heet, die heeft ooit de stamboom van de familie uitgezocht. De Píriz in Salto is waarschijnlijk een buitenechtelijke nazaat uit de negentiende eeuw.

‘Heb je daar wat aan?’ vraagt mijn moeder en ze neemt een flinke slok en leegt haar glas.

Aan de theorie dat Luis Suárez mogelijk een heel verre en onechtelijke achterneef van mij is? Natuurlijk heb ik daar wat aan. Mijn stuk voor het voetbalblaadje is in ieder geval een alinea verder en een motiefje rijker.

Mijn moeder kantelt haar fles wijn links in beeld. Een slechte dronk wordt trouwens bepaald door datzelfde gen. Dat hebben de Finnen onlangs ontdekt.

‘Kan jij op Gremlin passen?’ vraagt ze. ‘Alleen op de woensdagen?’

In een ander venster haal ik het filmpje tevoorschijn waarop de oma van Suárez zegt dat Luis vroeger zo’n lieve jongen was. Hij sloeg haar waarschijnlijk ook alleen met de zachte kant van de stoel. Ik probeer gelijkenissen te vinden tussen het gezicht van mijn moeder en dat van Lila Píriz.  Mijn moeder begint weer over de vraag waarom ik nog niet naar het Spaans vertaald ben. Volgens mijn boekhouder is dat omdat ik te vaak van uitgever veranderd ben. Ik heb meer uitgevers dan echtgenoten gehad. De een heeft er geen baat bij te leuren met werk dat door de ander werd uitgegeven, maar ik heb de wijn nu zitten en vertel haar wat ik ervan denk: ‘Omdat ik er een goed gebruik van maak de hand te bijten die mij voedt, daarom niet.’

Ze kijkt nukkig de camera in. ‘Heb je ruziegemaakt met je redacteur?’

‘Welke redacteur?’

‘De laatste.’

Volgens mijn boekhouder maak ik nooit ruzie; hij zegt dat ik ervoor zorg dat mensen een diepgewortelde hekel aan mij krijgen die tegen angst aanschurkt.

‘Met die ene heb je gevochten,’ zegt mijn moeder.  We struikelden wat ongelukkig tijdens een discussie en toen vielen we samen op de grond. Het was niet echt vechten.

‘Oké,’ zegt ze. ‘Als jij zo goed bent in het over één kam scheren van hele bevolkingsgroepen, hoe doe je dat dan met Nederlanders? Nou? Qua genen? En voetbal en zo?’  Ik zeg niks.

‘Zet dat maar in je verhaal,’ zegt ze en ze wijst naar voren, en het is net alsof ze naar mijn toetsenbord wijst.

‘Dat is niet handig, ma, dan bijt ik weer de hand die mij voedt.’

Mijn moeder zwijgt en kijkt me streng aan.

‘Oké,’ zucht ik en ik haal diep adem en zeg: ‘Nederlanders jatten dingen en weten dat als geen ander goed te praten.’

Mijn moeder is één en al oor.

‘Nederlanders kaapten de Zilvervloot en noemen dat een heldendaad maar als Somaliërs nu hetzelfde proberen worden ze voor hun pan geschoten met zegen van de vn

en de groeten van de belastingbetaler.’

‘Ga door,’ zegt mijn moeder.

Nederlanders kopen een voetballer die jij al jaren in de hoogst mogelijke divisies hebt lopen en zeggen dat zij hem hebben ontdekt en dat geloven ze echt. Als je even niet oplet schrijven ze uitdrukkingen in jouw taal toe aan hun voetballers en niemand die daar vraagtekens bij zet.  Nederlanders zijn in staat land van de zee te jatten en dat zo te brengen dat de hele wereld er bewondering voor heeft. Welk gen voor die aanleg zorgt, is nog niet vastgelegd.

Ik schenk bij.

Mijn moeder ook.

‘Je had het laatst toch over de Guillotine?’ zegt ze. ‘Die zit in de bak.’

Kennelijk heeft hij weer een leerling een kopstoot gegeven en dat werd door een andere leerling gefilmd en op social media gedeeld, dus werd hij opgepakt.

Het leven imiteert voetbal.

Je kunt helemaal niks meer doen of het wordt gefilmd. Waar vroeger een duw, een knauw of een elleboog een deel van de sport waren, is dat nu onmogelijk geworden. Agressie, schoppen, knallen, met dingen wegkomen: de hele straat is uit het voetbal gehaald.

Camera’s verpesten alles. Ze hebben het hart uit de sport geramd, en uit de geschiedenisles. De lens werd trouwens uitgevonden, niet eens ontdekt. Een beetje ouderwets koloniseren zal er op Mars ook wel niet meer in zitten, want reken maar dat er camera’s meegaan. Intussen heb ik de voetbalclub van het dorp van mijn zus gebeld. Op de woensdagen kan ik daar met Gremlin terecht.

 

Dit verhaal is te vinden in de bundel

Meisjes in blessuretijd

Of in Hard gras #102