Seks met Suárez

Mijn opa werd Aap genoemd. In het Spaans is dat Mono. (Dat spreek je met korte o’s uit, niet zoals in het Nederlands met lange. Tegen de tijd dat ik zijn naam op zijn Nederlands uitgesproken had, kon mijn oma hem in het Spaans al drie keer hebben geroepen. Oma zei dat de lengte van klinkers in een taal gelijk opgaan met de lengte van het volk dat het spreekt, maar ik dwaal af). Mono Píriz noemden de meeste mensen hem omdat Píriz zijn achternaam was. De bijnaam moest hij te danken hebben aan zijn uitzonderlijk lange armen en kromme benen, want aanleg voor klimmen of op handen en voeten rennen ontbeerde hij, net als elke andere aanleg voor sport, op schaken en vissen na.

De Aap Píriz was scheikundige en meestal heel stil, behalve als het over vissen, vroeger of voetbal ging, dan had hij ineens van alles te vertellen, of hij er iets van wist of niet. Hij stak dan een hand omhoog, vormde met zijn wijsvinger en duim een cirkeltje en wachtte tot wij allemaal onze mond hielden, wat wij meestal ook deden, niet omdat mijn opa zulke zinnige dingen zei, maar ons dna was een van de weinige dingen die we hadden kunnen meenemen en daarin zit gebrand dat je je mond houdt als de zilverrug gaat spreken.

‘Wij’ waren mijn oma, mijn moeder en mijn zus en wie er verder aangeschoven was. In de tijd dat we net in Nederland woonden was dat meestal een politieke vluchteling; we woonden met iets van vijftig daarvan in een oud hotel aan de Noord-Hollandse kust. In het Nederlands heette dat een asielzoekerscentrum, in het Spaans noemden wij het een refugio. Er waren in die tijd zoveel dictaturen in Zuid-Amerika dat we in onze refugio vluchtelingen uit genoeg landen hadden om een kleine Copa Libertadores op te zetten. Chili, Argentinië, Brazilië, Uruguay: ze waren allemaal vertegenwoordigd. Als we met de kinderen een balletje trapten achter het hotel kwam mijn opa vaak kijken, dan riep hij aanwijzingen die kant noch wal raakten omdat hij slecht zag, maar vooral omdat hij geen enkel tactisch inzicht had. Van hem leerden wij wat de Maracanazo was. Een land kan zijn mensen vervolgen, verjagen en vermoorden, trots op de voetbaloverwinningen blijft men toch.

Maracaná is tegenwoordig voor het grootste deel van de wereld het stadion waar de finale van het WK 2014 werd gespeeld, voor Uruguayanen is het altijd het stadion van de Maracanazo geweest en dat zal zo lang er twee Uruguayanen zijn die dat aan elkaar kunnen doorgeven ook zo blijven. Taalkundig is Maracanazo de overtreffende trap van Maracaná. In het Spaans kan dat. Een gol of een golazo. Een doelpunt, een doelpuntazo.

Met Maracanazo bedoelen wij de grote overwinning die onze jongens daar in 1950 op de Brazilianen behaalden en omdat Uruguay daarna nooit meer een wk won, teren we daar nog steeds op. Het is maar goed dat die 7-1 van Duitsland – Brazilië in een ander stadion was, anders had Die Mannschaft ons met een Maracanazi overtroffen.

Het Maracaná werd speciaal voor het wk 1950 gebouwd en het moest het grootste voetbalstadion worden dat de mensheid tot dan had gekend. Capaciteit 183.000 toeschouwers. Tegen de tijd dat de spelers werden overgevlogen was men nog niet aan het schilderen van het kale beton toegekomen, daarom werd beloofd dat het stadion na afloop van het wk in de kleur van het winnende elftal zou worden geschilderd , wat aangeeft hoeveel vertrouwen de Brazilianen erin hadden dat ze gingen winnen, en tevens verklaart waarom dat stadion tot 2013 lichtblauw was.

Het WK zat in 1950 zo in elkaar dat de laatste finalepoulewedstrijd ook de finale werd. Brazilië had daarin tegen Uruguay genoeg aan een gelijkspel om wereldkampioen te worden.

Er waren al meer dan 500.000 T-shirts verkocht waar brasil campeâo 1950 op stond. Er waren munten geslagen met de koppen van de Braziliaanse spelers. Er stonden carnavalskarren met het kampioenenthema klaar en er waren overal festiviteiten gepland. Op de grote dag waren er – met 173.000 betalende toeschouwers, plus duizenden die naar binnen waren geglipt – nog nooit zoveel mensen tegelijk een potje voetbal gaan zien. Verreweg de meesten waren Brazilianen die erop vertrouwden dat ze die dag wereldkampioen werden, toen Friaça in de 47ste minuut scoorde, wisten ze het zeker. De menigte in het stadion ging los, buiten sloegen de motoren van de carnavalskarren aan, het feest laaide op, en het hele land vierde het: Brasil Campeâo 1950.

Dat de Uruguayaan Schiaffino in de 66ste minuut scoorde was misschien even schrikken, maar met 1-1 won Brazilië nog steeds de wereldtitel, dus bleef het vuur van het feest om zich heen grijpen.

Jules Rimet, de president van de fifa, vertelde later dat hij zich had teruggetrokken in de catacomben om zijn toespraak door te nemen, de enige toespraak die hij op zak had: die waarin hij de Brazilianen in het Portugees feliciteerde. Er zou een erehaag klaarstaan waarlangs hij naar de Braziliaanse aanvoerder zou lopen terwijl de fanfare het Braziliaanse volkslied zou spelen, maar toen hij terugkeerde uit de kleedkamers merkte hij aan de doodse stilte dat er iets vreselijk was misgegaan.

In de 79ste minuut had Ghiggia gescoord: het stond 2-1 voor Uruguay en dat bleef het.

Toen Ghiggia niet lang daarna begreep wat hij het Braziliaanse volk had aangedaan, weigerde hij erover te spreken. Later zou hij zeggen: ‘Er zijn drie mensen die het Maracaná stil kregen: de paus, Frank Sinatra en ik.’

De sluitingsceremonie van het wk 1950 werd een rommeltje. De fanfare had de bladmuziek van het Uruguayaanse volkslied niet bij zich. De erehaag zag het niet meer zitten en er werd geen toespraak gehouden. Jules Rimet zag de aanvoerder van Uruguay ergens langs het veld lopen, haastte zich naar hem toe en drukte hem de beker in handen.

Voor Uruguayanen zijn de mannen van het elftal van 1950 de grootste helden die we kennen. Zelfs als je in de Nederlandse asielzoekerscentra opgroeide ontkwam je er niet aan er een paar bij naam en rugnummer te kennen: aanvoerder Obdulio Varela, Schiaffino, maker van het eerste doelpunt, Ghiggia van de winnende treffer, de Aap Gambetta, een verdediger die zo rechtschapen was dat hij ooit een penalty opzettelijk naast schoot omdat, op de scheidsrechter na, iedereen vond dat die onterecht gegeven was. Er zijn natuurlijk altijd chagrijnige Uruguayanen (meestal van Peñarol) die beweren dat Gambetta dat helemaal niet expres deed, maar daarvoor is hier geen plek. We weten waarom het Maracaná-stadion (tot aan de laatste verbouwing) lichtblauw van kleur was, al zeggen de bewoners van Rio de Janeiro dat lichtblauw nu eenmaal de kleur is van de vlag van hun stad. En we weten ook allemaal wat Maracanazo sindsdien voor de Brazilianen betekent: nederlaag of onverwachte ramp.


In 1984 was de dictatuur in Uruguay voorbij en gingen wij terug. We hadden tien jaar in Nederland gewoond, van de asielzoekers uit het begin was niks meer over. We waren Nederlanders uit een ander land geworden. We hadden fietsbrevetten, zwemdiploma’s en een verjaardagskalender op de wc, dus dat paspoort kon er ook wel bij. Al die spullen gingen in een zeecontainer terug naar Uruguay.

Ik was vijftien en kwam op de Uruguayaanse openbare middelbare school terecht. Elke les begon met het nalopen van de namenlijst, niet bij de voornaam zoals in Nederland, maar via de achternaam. Als je genoemd werd moest je presente zeggen. Ik heb dat zo vaak gedaan dat ik nog steeds de neiging heb ‘presente’ te roepen als iemand mijn achternaam zomaar uitspreekt.

‘Rodríguez?’

‘Presente!’

‘Suárez?’

In koor: ‘Is er niet.’

‘Trujillo?’

‘Presente!’

Suárez was er nooit. We waren al een heel eind het schooljaar in toen hij eindelijk verscheen. Hij had geen slechtere les kunnen kiezen: geschiedenis, met een leraar die Guillermo Souto heette, bijnaam: Guillotine. Bij die lessen leerde ik wat ik weet over de indianenstammen die Uruguay bevolkten. Tot dan toe had ik daar niets over gehoord, want de Guaraníes en Charrúa’s en Timbúes komen in Nederlandse geschiedenisboeken net zomin voor als Willem i t/m iii in de Uruguayaanse.

In het kort: de Spanjaarden kwamen rond 1500 aan op de Uruguayaanse kust, zetten de indianen op een uitgebalanceerd dieet van moord en ziektes en hadden ze binnen 200 jaar tot aan hun malle moedertje uitgeroeid.

De stam van de Charrúas schijnt het felst verzet te hebben gepleegd. Het waren vrij lange mensen met hoge brede jukbeenderen, ze hadden net als de meeste indianen nauwelijks haar op het lichaam. Volgens onze leraar kon je die kenmerken nog hier en daar in de bevolking zien. Van diezelfde stam komt het begrip garra Charrúa, letterlijk vertaald: de klauw van de Charrúa. Daarmee wordt de moed bedoeld waarmee deze indianen terugvochten vanuit een uitzichtloze positie. De klauw van de Charrúa is, als je de Uruguayanen mag geloven, wat het elftal van 1950 liet zien. De koosnaam in Uruguay voor het nationale elftal is daarom sinds jaar en dag: Charrúa’s.

Oftewel: de nieuwe Uruguayanen, allemaal afstammelingen van Europeanen, vernoemen hun beste elftal ooit naar de stam die door hun eigen voorouders in een oogwenk van de aardkorst is weggevaagd en bezingen daarmee de heldenmoed van diezelfde stam.


Het was een maandag, het regende en de Guillotine had een pestbui.

‘Suárez?’ zei hij.

‘Presente.’

Suárez stond in de deuropening, gescheurde spijkerbroek, koperkleurige huid, lang haar, hoge jukbeenderen en een bandana om zijn pols, ogen die adelaars aan de horizon leken te spotten.

‘Om er te zijn, moet u zitten.’

De Guillotine knikte naar de dichtstbijzijnde lege bank. Suárez liep het lokaal in langs de hele voorkant van de klas, tot bij het raam. Hij was een kop groter dan de Guillotine. Tergend langzaam nam hij plaats, achterover leunend, uitdagende blik, klauw van de Charrúa zo ver het oog reikte, maar hij zou nooit een voldoende krijgen.

‘Heeft u tenminste een schrift bij u?’ vroeg de Guillotine.

Suárez keek door het raam naar buiten, maakte een soort ‘tssk’-geluidje en zei:‘Het regent niet meer.’

Hij stond op en liep de klas uit, net als hij binnen was gekomen.


Mijn Suárez kwam net als Luis Alberto Suárez (de voetballer) uit een gezin met veel kinderen waarvan de vader afwezig was. Er moest geld binnenkomen dus ging mijn Suárez, net als uw Suárez, op straat geld verdienen. Luis Suárez deed dat door auto’s van beter bedeelde Uruguayanen te bewaken. Mijn Suárez werd oplichter schuine streep inbreker schuine streep kruimeldief, en voetballen kon hij voor geen meter. Wat hij wel kon was als geen ander Jimi Hendrix naspelen op de luchtgitaar en meezingen. Snel vrienden maken kon hij ook, al verloor hij ze nog sneller, wanneer hij zo’n vriend dan weer bestolen schuine streep misleid schuine streep belogen had. Allemaal vaardigheden die ik, ook in een oogwenk, van hem overnam.


In de zomer van 1989 liep ik weg van huis. Suárez en ik wilden weten wat het was om echt vrij te zijn. We hadden zevenduizend peso’s, een tentje en onze duimen. Zevenduizend peso’s was genoeg om een week op alleen stokbrood te leven, maar leven zouden we, dus we waagden het erop, de vrijheid tegemoet.

We vertrokken bij de snelweg die een paar keer van naam verandert maar steeds dezelfde strook asfalt blijft, die de kustlijn langs stranddorpjes en vakantieoorden volgt. Tot Punta del Este zou het makkelijk zijn, wist mijn vriendje, want de parel van de Uruguayaanse kust werd bevolkt door rijken en beroemdheden en die hebben nu eenmaal auto’s waarmee ze hard naar hun villa’s rijden. Er zat er altijd wel eentje tussen die twee Uruguayaanse tieners een lift wilde geven. Terwijl ik langzaam begon te verbranden, vertelde hij me over Pelé die vaak in ‘Punta’ kwam, en over Duran Duran die er geweest was en over Christopher Lambert die er een restaurant bezat, terwijl we steeds voor een klein pokkenstukje werden meegenomen door een Uruguayaan in een barrel die je moest aanduwen, waarna je onder het rijden de jerrycan benzine tussen je knieën kon klemmen of in de bochten voor je eigen veiligheid in een slecht sluitend portier moest gaan hangen.

Toen we eindelijk in het centrum van Punta del Este werden afgezet, bleek dat een frisdrank op een terras zes dollar kostte en een bakker drie keer zo duur was als in de rest van het land, dus werd het voor ons zaak zo snel mogelijk uit de parel van onze kust weg te geraken. Eenmaal bij de uitrit van de stad aangekomen waren we de helft van ons kapitaal al kwijt. We hadden broodjes gekocht en een cola die die oen van een Suárez van mij zich niet had willen ontzeggen.

We stonden weer te liften. Ik boos, hij mooi. We werden door nog minder auto’s voor nog kortere stukjes meegenomen en stonden het grootste gedeelte van de tijd bij temperaturen van boven de dertig langs de snelweg uit te drogen. We dronken water uit een beekje. De dode duif die stroomopwaarts in het water lag, zagen we daarna pas. Voor we omkwamen van de droogte, een vergiftiging of omdat we elkaar de hersens zouden inslaan, stopte een oude Renault.

‘Waar gaan jullie heen?’ vroeg de man van achter het stuur. Hij had grijs haar, net als de vrouw naast hem. De snelweg strekte zich tot de horizon uit, naar voren en achteren in de zinderende hitte.

‘Waar u ons heen brengt,’ zei mijn vriendje.

Even later zaten we achterin en praatte hij honderduit over Punta del Este en Pelé en Maradona, die dat jaar wel of geen overdosis had genomen. Ik luisterde maar half tot hij riep: ‘Maar dan bent u de Aap Gambetta!’

Het was hem. Schubert ‘de Aap’ Gambetta, de rechtsback van het legendarische elftal van 1950. Grijs en oud zat hij achter het stuur, binnen handbereik. Mijn vriendje vertelde de Aap alles wat hij van hem wist. Dat hij hem daar en daar had zien spelen. Dat hij dat en dat een meesterschot had gevonden. Dat dingetje nooit opgesteld had moeten worden. Dat ze toen en toen hadden moeten winnen. ‘Vertel,’ vroeg hij toen hij door zijn feitjes heen was.’Schoot u die penalty er expres naast of niet?’ De oude man grijnsde maar hij zei niks.

Gambetta en zijn vrouw hadden een vakantiehuisje op de Barra del Chuy, het laatste badplaatsje van Uruguay, tegen de Braziliaanse grens aan. Hij bracht ons helemaal tot daar. Verder kon je langs de kust niet gaan. Hij wees ons de weg naar een plek bij de duinen waar je goed kon kamperen en hij gaf ons een paar flessen drinkwater mee. De volgende dag zou hij naar de stad Chuy gaan, de oase voor Uruguayanen die goedkoop boodschappen willen doen. We mochten mee als we wilden. De vraag over de penalty beantwoordde hij niet, wat mijn vriendje zo nu en dan tot gespeelde waanzin dreef.

Chuy ligt precies op de grens tussen Uruguay en Brazilië. Als je de hoofdstraat oversteekt, sta je in Brazilië, als je terug oversteekt, ben je weer in Uruguay. Beide zijden bestaan vooral uit winkels, met aan iedere kant de producten die in het betreffende land goedkoper of beter zijn dan in het andere. Aan de Uruguayaanse kant verkoopt men alles wat van leer is: jassen, laarzen, tassen, zadels. Aan de Braziliaanse hebben ze producten van alle andere materialen: chocomel, tv’s, bikini’s, grappa, uranium, alles.

De Aap Gambetta en zijn vrouw zetten ons af midden in de hoofdstraat, vlak voor Pato’s café (Uruguayaanse kant). Zodra wij klaar waren met onze boodschappen en zij met die van hen, zouden we elkaar daar weer ontmoeten.

Suárez en ik investeerden ons kapitaal in verschillende smaken kant-en-klaarsoepen van Knorr. Zo zouden we toch een dikke zeven dagen warm kunnen eten. Met wat we overhadden wilde hij een cola kopen en toen kregen we weer ruzie. Zo gingen we naar het café waar Gambetta aan tafel zat met Pato (de eigenaar) en een paar andere mannen die het over niets anders dan de Maracanazo hadden. Over Pelé die zijn vader na de Maracanazo voor het eerst zag huilen en hem beloofde ooit een wereldcup thuis te brengen, over Brazilianen die na die 2-1 zelfmoord pleegden, over de T-shirts en de fanfare die de muziek was vergeten.

Tegen de tijd dat we teruggingen hadden mijn vriendje en ik al een paar cola’s op en een paar whisky’s dus was hij straalbezopen, en weet ik alleen nog dat we weer bij Gambetta’s huis uitstapten en daarvandaan terugliepen naar onze tent om verder te gaan met ruziemaken of goedmaakseks, wat op die leeftijd ongeveer op hetzelfde neerkomt.


Tegen het eind van onze eerste week in volmaakte vrijheid waren we snipverkouden. Het snot dat we uitlekten rook naar kant-en-klaarsoepen. Ik dacht aan de Guillotine en wat hij had verteld over de kolonisatoren die aan scheurbuik doodgingen. Wat ik me niet kon herinneren was hoelang je daarvoor vitamine C moest ontberen. Ik had geschiedenis ook maar met een mager zesje gehaald.


We gingen bij de Aap Gambetta langs met een verhaal: iemand was in onze tent geweest en had onze spullen gestolen. Ons geld en zijn walkman. Dat was het ergste van alles. Volgens mijn Suárez zat de kracht van een leugen in de extra’s.

De Aap Gambetta dacht er niet lang over na en leende ons dertigduizend peso’s. Precies het bedrag dat volgens mijn vriendje van ons was gestolen. Niet lang daarna zaten we in onze tent cola te drinken en koekjes te eten en ruzie te maken, en dat bleven we nog een hele week doen voor we terug naar huis liften.


Voor we terug in Montevideo waren belde ik mijn ouders. ‘Ik ben bijna thuis, oké? Niet boos zijn.’

Ze waren niet boos. In het begin niet, tenminste. Ze waren allang blij dat we heelhuids terug waren, nou ja, dat ik dat was, want ik denk niet dat ze erom zouden hebben getreurd als mijn Suárez onder de wielen van een vrachtwagen was verdwenen.

‘Waar hebben jullie al die tijd van geleefd?’ vroeg mijn moeder op een gegeven moment.

‘De Aap Gambetta heeft ons geld geleend,’ zei ik.

‘Aap Gambetta?’ vroeg mijn moeder, die waarschijnlijk dacht dat dit een louche contact van mijn vriendje was.

‘De voetballer?’ Dat was mijn vader.

‘Geleend?’

‘Heb jij Gambetta gesproken?’

‘Hoezo geleend?’

‘We hebben bij hem gebarbecued,’ zei ik.

Mijn vader wilde het hele verhaal horen. Wat de Aap gezegd had, in wat voor auto hij reed, of hij fit was, de raarste dingen wilde hij weten.

Dat we tegen hem en zijn vrouw hadden gelogen, vertelden we niet.

‘Jullie gaan het wel teruggeven,’ zei mijn moeder.

‘Ja,ja,’ zeiden wij. We hadden zijn adres. Hij woonde dichtbij.

‘Ieder de helft,’ zei mijn vader, waarbij hij mijn vriendje een veelbetekenende blik gaf.


Niet lang daarna werd ik door mijn ouders in hun barrel naar het huis van de Aap Gambetta gereden. In mijn hand de vijftienduizend peso’s die ik moest teruggeven. Ze vertrouwden me niet genoeg om me alleen te laten gaan, of nou ja: ze vertrouwden me genoeg om te weten dat ik in mijn eentje het geld in mijn zak zou steken en mogelijk weer mijn vrijheid tegemoet zou treden.

Ik belde aan bij een scheefhangend hek. Helemaal aan het eind van een uitgedroogde tuin stond het huisje van de Aap Gambetta. Zijn vrouw kwam aangelopen. De Aap lag ziek in bed. Verkouden. Ik gaf haar het geld terug en schaamde me dood omdat het eigenlijk maar de helft was en we dat allebei wisten.


Mijn vader kwam de Aap Gambetta later nog vaak tegen, meestal op het strand, waar ze allebei in de branding stonden te vissen. Dan groetten ze elkaar van een afstandje. Een keer kwam de Aap Píriz – mijn opa – ook mee; ze zagen de Aap Gambetta die naar wat voetballende jeugd stond te kijken. Mijn vader introduceerde mijn opa aan de legende. Ik heb hem dat al ik weet niet hoe vaak zien vertellen. Dan gaat hij staan zoals mijn opa stond en zegt: ‘Mij noemen ze ook Aap én ik heb ook gevoetbald. Bij de jeugd van Las Piedras.’ (Dat is zoiets als voetballen bij de jeugd van Willem ii.) Hij stak er twee vingers bij op: één voor Mono heten en één voor gevoetbald hebben. Die twee vingers deed hij tegen elkaar alsof ze één waren.

Ze bleven nog een tijd naar de voetballende jongens kijken. Mijn opa zal wel weer dingen hebben geroepen die nergens op sloegen want op een gegeven moment liet de Aap Gambetta zijn blik langs mijn opa gaan, langs die lange armen en benen die met de jaren alleen maar krommer werden en hij zei: ‘Dat ze u Aap noemen wil ik wel geloven.’


Het is nu vijfentwintig jaar geleden dat mijn Suárez en ik langs de snelweg stonden. De zilverruggen zijn allebei dood en ik heb van de leugen mijn beroep gemaakt, maar die zomer aan de Barra del Chuy kan ik maar niet van mij afschudden. Elke keer als de Charrua’s het veld op gaan, elke keer als iemand me vraagt of Uruguay wel eens een wk won, elke keer als het over de Maracanazo gaat, elke keer ben ik weer die kleine gewetenloze leugenaar.